De Huisvrouw in Westenesch
De
geschiedenis van De Huisvrouw in Westenesch (Emmen), is als
volgt; Geert Hovenkamp, logementshouder te Emmen sticht de molen
in 1867. Hij doet een verzoek tot bouw aan de gemeenteraad van
Emmen en krijgt toestemming als hij voldoet aan de volgende
voorwaarden: de molen moet tenminste 20 ellen van de openbare weg
staan, en binnen een jaar moet de bouw gereed zijn. De molen komt
dan in handen van Jan Hovenkamp, de korenmolen wordt in 1890
gesloopt en in 1891 herbouwd. Door successie in 1902 gaat hij
over in handen van Egbert Hovenkamp. Egbert verkoopt de molen in
1906 aan Lambertus Betting.
Ook deze molen brandde af, en staat het stuk hieronder in de
krant: "Donderdagavond
24 juli 1919 klinkt de brandklok. De molen aan de
Westenesschersteeg staat in brand. Honderden inwoners van Emmen
en Westenesch spoeden zich naar de plaats des onheils. Hier
wachtte de toeschouwers een machtig spektakel. De molen, gelegen
op het hoogste deel van de Hondsrug, ter noordzijde van de
Westenesschersteeg, vormde met het golvende terrein en den hollen
weg van de Steeg een schilderachtig geheel. En nu stond de roos
met zijn lange armen, die de broodetenden voeden, in lichter
laaien. De rieten kap was binnen de korste keren verteerd en niet
veel later stond het houten geraamte in vuur en vlam. En toen
kwam het moment waarop een ieder gewacht had. Met donderend
geraas stortte de wieken met het houten skelet in elkaar,
waardoor de vuurzee weer hoog oplaaide.
![]() |
Door de ontstane vonkenregen werden de omstanders gedwongen afstand te nemen. Het aan de molen gebouwde huisje en de neven gebouwtjes waren ook een makkelijke prooi voor de vlammen. Een brandend vat teer zorgde voor een dikke zwarte rook. Even was er vrees voor het, door twee gezinnen bewoonde, aangrenzende huis van de weduwe Mensingh. Het huis was reeds ontruimd en de bewoners waren op het ergste voorbereid. Dankzij de gunstige wind en de snel ter plaatse gekomen brandweer, die met waterstralen het huis nat hielden, werd het huis gespaard. Toch was de ramp voor molenaar J. ten Brink groot. Hij had de molen voor fl.5000.- in de onderlinge molenverzekering verzekerd, terwijl van zijn inboedel zo goed als niets overgebleven was. De andere inboedels waren gedeeltelijk gered. Over de oorzaak van de brand tast men nog in het duister. De molen werd bewoont door twee gezinnen. Onder woonde het gezin van de molenaar J. ten Brink en boven dat van J.Gröniger. De brand ontstond in het bovenste gedeelte. Met moeite had de molenaar zich door de rook een weg kunnen banen naar boven om de wieken stil te zetten. Het aan de molen gebouwde huis werd bewoont door J.Kroeze. Drie gezinnen zijn dus dakloos geworden, en dat wil wat zeggen in deze tijd. Als een ruďne staan de muren nog overeind. Naar we horen is het juist 30 jaar geleden dat de molen, destijds eigendom van E.Hovenkamp, eveneens afbrandde." |
| Jan ten Brink woont in 1919 samen met zijn vrouw Anna Francina Jonkers en hun zoon Jan Engbert in het onderste deel van de molen. Als adres wordt gegeven Emmen wijk C huisnummer 10b. Hun andere kinderen zijn dan de deur al uit. Johannes Gröniger woont dus boven in de molen. Johannes is getrouwd met Jantje ten Brink, de dochter van Jan. Ze wonen in Emmen in wijk E huisnummer 227 en verhuizen in december 1919 naar Nieuw Weerdinge. Ten tijde van de brand hebben ze 6 kinderen. Jan Kroeze woont in het huisje naast de molen. De met Janna Kruit getrouwde Jan is landbouwer en woont op huisnummer 26 te Westenesch. Tijdens de brand woont hij daar met 5 kinderen. Na de brand verhuist hij naar Nieuw Weerdinge. | ![]() |
Jan ten Brink heeft nogal wat molens bewoond, o.a. uit de gegevens van zeilmakerij Wouda is het volgende bekend:
1882 - 1885 de Kupers Meule in Ruinen
1885 - 1887 de molen aan de Dwarsdijk
in Koekange
1887 - 1894 de Meule Eleveld in Ruinen
1894 - 1901 de Heidebloem in Erica
1901 - 1908 Onbekend (van 1903 tot 1905 was H. Dijks huurder van de molen te Erica)
1908 - 1911 de Heidebloem in Erica
1911 - 1919 de De Huisvrouw in Emmen
(met dank aan Jerry Vondeling)